
Foto's onderaan tekst Er was eens...Zo beginnen de meeste overgeleverde verhalen , sprookjes en legenden. Het onze echter niet. Wij beginnen met: "ER IS EEN SCHOONJANSKAPEL" en dan nog wel in de voornaamste kerk van België: de METROPOLITANE SINT- ROMBAUTSKATHEDRAAL VAN MECHELEN.". De hoofdkerk van België, de pontificale zetel van Kardinaal Aartsbisschop Monseigneur Godfried Danneels, Primaat van België.
Het bestaan van deze Schoonjanskapel was mij reeds bekend door opzoekingen en publicaties van Patrick Jacobs en wijlen François Schoonjans, dit de Coudenberg. Enkele jaren geleden kreeg ik het boek "Provincie, stadt ende district van Mechelen" in handen. Hierin was een uitgebreide geschiedenis van de kapel beschreven, zie nr.40 van ons tijdschrift. Toen kwamen natuurlijk bij mij vragen op zoals: Wat rest er nog van deze kapel ? Die baron Belderbusch die het laatst als beneficiant werd genoteerd, wie was dat ? Hoe kwam hij in het bezit van de kapel? Hoe verliep de geschiedenis van deze kapel en zijn beneficie ?
Willy Schoonjans had reeds gezocht in de kathedraal naar de Schoonjanskapel. Hij vond die kapel maar een lege vervallen oude ruimte. Een kapel waarin niets herinnerde aan een vroeger mooie ruimte zoals beschreven in het voormelde boek.
De andere bestuursleden werden ook nieuwsgierig en er werd een bezoek aan Mechelen geregeld voor de leden. Dit bezoek kaderde eveneens in de viering van het 700 jarig bestaan van de stad Mechelen. Ter gelegenheid van dit jubeljaar hing er op de Grote Markt van Mechelen een Schoonjansvlag..
Maar na het bezoek opperde onze schatbewaarder, Freddy Schoonjans, het idee "De kapel ziet er belabberd uit, kunnen wij als vereniging niets doen om hieraan te verhelpen ? Het idee werd zeer gunstig onthaald en ik nam contact met de kerkfabriek van de metropolitaanse Sint Rombautskathedraal. Tot mijn grote vreugde werd mijn verzoek zeer gunstig beantwoord. Het bestuur ging akkoord met de suggestie van de kerkfabriek, namelijk het plaatsen van een Mariabeeld in de nis waar vroeger een gestolen beeld stond.
De kunstenaar, Marc Anckaert, van het beeldje werd aangezocht om voor ons het Lievevrouwbeeldje voor de Schoonjanskapel te maken. Het beeldje werd ingehuldigd op zondag 12 oktober 2003.
De stichting dateert van 1380 en werd gedaan door Jan Schoonjans, die stierf in 1422. Volgens wijlen François Schoonjans, dit de Coudenberg, werd hij in de Schoonjanskapel in de Sint-Rombautskerk in Mechelen begraven . Ik weet niet uit welke bron hij dit weet. In de documenten die in mijn bezit zijn blijkt nergens dat er in deze kapel een graf is geweest, er zijn wel gedenkstenen.
Uit kopieën van een document uit 1689, gemaakt in 1752, blijkt dat de beneficie is overgegaan naar Symon Schoonjans. In 1444 heeft deze Symon deze beneficie vermeerderd Symon stierf rond 1446 want dan spreken de documenten over de executeurs der testamente. Catherina Schoonjans die gehuwd was met Jan Schoofs, ridder, deze werd de nieuwe begunstigde Nadien ging het naar Jan Schoofs de tweede. Door een vonnis van "Den Grooten Raede" van juni 1550 werd het patroonnaatschap van de kapel toegewezen aan de kleinzoon van Catherina namelijk Philippe Schoofs.
Philippe Schoofs was minderjarig op het ogenblik van het vonnis want hij werd vertegenwoordigd door zijn moeder Jonkvrouw Barbara Pipenpoy (Pipenpoy is een zeer bekende Brabantse familie waarover reeds veel is gepubliceerd en waarvan er nog talrijke naamdragende afstammelingen zijn) die weduwe was van Jan Schoofs II.
Uit een brief van de Luikse edelman Jacques Benoit Termonia kunnen wij opmaken dat de kapel overgegaan is naar Guillaumme (Willem) Schoofs en verder naar Isabella Schoofs die gehuwd was met Guillaume de Fronteau. Deze brief is een klacht tegen Baron Belderbusch waarin hij stipuleert dat hij en niet Belderbusch erfgenaam is van de beneficie. Ter staving van zijn visie voegde hij er een stamboom aan toe.
Dit dispuut werd zowel gevoerd voor de rechtbanken van Mechelen als deze van Luik. Luik was toen een onafhankelijk Prinsbisdom en behoorde niet tot de Oostenrijkse Nederlanden. Dit zal de rechtspraak zeker niet geholpen hebben. De "Grooten Raede van Haere Majesteyt" (toen Maria-Theresia) kent de kapel en de beneficie toe aan François - Frederick von der Heyden, geheten Belderbusch.
De familie von der Heyden, geheten Belderbusch was een zeer vooraanstaande familie in her Rijn-Maas gebied. Dit gebied situeert zich in de driehoek Nederlands Limburg, Hasselt en Bonn. De voornaamste steden waren: Maastricht, Hasselt, Aachen en Keulen. Zij waren heren van Montzen. Oorspronkelijk droegen zij de titel van Baron, in het Duits Freiherr, later kregen zij de titel van Graaf
In het Rijksarchief Limburg (Nederland) te Maastricht bevindt zich een bundel documenten over deze familie en in het bijzonder over de Schoonjanskapel. Deze verzameling bevat 310 stukken waaronder tal van renteboeken waaruit wij kunnen besluiten dat de beneficie Schoonjanskapel zeer rijk was. De goederen die de beneficie moest spijzen bevonden zich over talloze gemeenten rond Mechelen. De documenten zijn opgesteld in het Nederlands, Frans of Latijn. Het jaar 1755 is de laatste datum die op de documenten voorkomt. Baron François - Frederik kreeg de beneficie in 1750, hij stierf zonder nakomelingen. Het is mij niet bekend wie het patronaatschap bezat in de laatste jaren van de negentiende eeuw.
In 1744 toen Symon Schoonjans de beneficie vermeerderde werd bepaald dat de kapel jaarlijks 130 gulden zou genieten, geld dat uit het patrimonium van voormelde werd genomen. Met dit geld moest dagelijks een mis opgedragen worden Elke maandag moest er een gezongen mis met diaken en subdiaken opgedragen worden. Op het jaargetijde van de stichter moest men twaalf oude grote Mechelse guldens schenken aan twaalf armen die de mis hadden bijgewoond; Aan twaalf armen diende men op Witte Donderdag een maaltijd van goede spijs en wijn te geven, Na het eetmaal diende men de rechter hand van iedere arme te kussen.
Of deze verplichtingen door de jaren heen vervuld werden konden wijiet achterhalen. Uit de documenten, voornamelijk betalingen aan de priester concelebrant, blijkt wel dat deze verplichtingen werden vervuld in de periode dat Belderbusch het patronaat bezat. De laatste bedienaar die ik ken is Ludovicus De Voster, Kanunnik van Zellaer.
Hoe ziet er De kapel nu uit?
Om het echt te weten moet u natuurlijk de Mechelse kathedraal bezoeken. Maar ik geef u toch al enkele ideeën. In de brochure van de kathedraal staat onder nr.25 het volgende:
Deze kapel heet Schoonjanskapel, naar Jan Schoonjans die in 1380 een rijke kapelanie stichtte. In 1682 vond de Sint-Lucasgilde er een toevlucht. Het drieluik (1603) ,,Sint-Lucas schildert portret van de Madonna” met de zijluiken: ,,Sint-Jan in de ziedende olie” en ,,Het visioen van Sint-Jan op het eiland Patmos” is van Abraham Janssens (1567-1632). Sint-Lucas was de patroon van de schilders en beeldhouwers die in de SintLucasgilde verenigd waren. Het glasraam stelt de ,,Aanbidding der Koningen” voor en op de zijkant de heilige Adolf en de heilige Elisabeth van Thuringen, patroons van de schenkers. Het werd in 1891 geplaatst door Leopold Pluys. De gedenksteen van Arnold van Zellaer is afkomstig uit de kapel van Onze-Lieve-Vrouw van Zellaer. Erboven is het epitast aangebracht van Joachim Gilis (t 1687), majoor van een Waals regiment, en van zijn echtgenote Anne Le Boiteulx. De kleine nis in de gedenksteen bevatte een Sint-An na-ten-Drieën, die sinds 1914 verdwenen is. De geelkoperen koorlezenaar in renaissancestiji, werd in 1591 gegotel? door Jan II Cauthals naar een ontwerp van Libert van Eeghem. De leze-naar is versierd met het wapenschild van aartsbisschop Hauchinus die er het geld voor legateerde. De koorzetel voor cantor, dateert uit 1626. Hoog tegen de wand hangt een schilderij van Egidius Jozef Smeyers (1694— 1771): Tenhemelopneming van Maria.
Niemand heeft zich in de negentiende of twintigste eeuw om deze kapel en zijn historie echt bekommerd. Dit is geen verwijt. Maar dank zij onze familievereniging werd in de kapel een nieuw beeldje geplaatst. Tevens hebben wij haar geschiedenis kenbaar gemaakt. (L.R) |